Steun ons en help Nederland vooruit

Publicaties

Opinie: Onze cultuursector heeft moeite een volwaardige maatschappelijke positie te verwerven

Waarom hebben wij eigenlijk een overheidsbeleid op cultuur? En is er pas draagvlak voor erfgoed op het moment dat het verloren dreigt te gaan?

Dit vraagt Willem de Jonge zich af in zijn eerste opiniestuk als voorzitter.

EEN DAME IN PARIJS, 
Het was duidelijk met een gealarmeerde urgentie waarmee Winfried Baijens het acht uur journaal van maandag 15 april opende. De redactie van het journaal had de berichten uit Parijs ook pas net vernomen, de brand woede op dat moment een drie kwartier. En het was al wereldnieuws.
De livestream op CNN liet de harde werkelijkheid zien. In de loop van de avond werd de brand niet echt minder, het keerde meer naar binnen. Ontroerend was het beeld van de menselijke keten die kunstschatten doorgaf naar veiligheid. In 700 jaar zijn er dingen die niet veranderen.
Kort voor negen uur zagen wij het spookachtige licht van de zaklantaarns van de brandweermannen die de linkertoren hadden beklommen waar naar verluid de grootste bel hangt. Ook hier was rook te zien. Er volgde voor mij een onzekere en onrustige nacht.
De volgende ochtend vroeg meteen CNN aan. Het vuur was uit, de bel was niet gevallen en de muren en torens stonden nog. Maar er was nog een bericht dat streed om de meeste aandacht. Er was 200 miljoen geschonken voor de herbouw door meneer Pinault, de eigenaar van de grote klassieke modemerken.
Drie dagen na de brand kwam het bericht dat de donatieteller op 850 miljoen stond en dat naar verwachting dezelfde avond het miljard zou worden bereikt. En zo geschiedde het.

Wat gebeurde hier nou?
Wij hebben in Nederland en binnen onze partij een goed doordacht cultuurbeleid met een belangrijke erfgoed component daarin. Dit is nodig omdat behoud van erfgoed nog steeds niet vanzelfsprekend is. Kijk maar naar de Stelling van Amsterdam. Dit kabinet heeft zelfs 325 miljoen uitgetrokken voor erfgoedbehoud en herbestemming en een deel daarvan is bestemd voor nota bene kerkelijk erfgoed. Ook zijn er in ons land diverse Heemschutten die soms hun handen vol hebben aan de strijd om bouwwerken tegen sloop of verval te behoeden. Een goed voorbeeld is Huize Ivicke aan de Rijksstraatweg in Wassenaar.
Draagvlak voor erfgoed is dus niet vanzelfsprekend leert de praktijk. Maar wel in het geval van de Dame in Parijs.
Goed; er zijn verschillende argumenten aan te voeren die hier aan de orde zijn. Het Franse fiscale stelsel bijvoorbeeld. Bedrijven die doneren kunnen tijdelijk 90% hiervan opvoeren als aftrekpost, dus voor de afdeling finance van de modehuizen kwam de brand als een geschenk uit de hemel. Ook de geschiedenis, bekendheid en door romantiek en magie omgeven statuur in de collectieve beleving maken van de Notre Dame een iconisch werelderfgoedobject. Met de Chinese muur en de Tai Mahal misschien wel de bekendste.
Allemaal waar, en juist daarom zijn hier lessen uit te trekken. Belangrijke lessen waarvoor eerst vooral vragen moeten worden gesteld:
Is er pas draagvlak voor erfgoed op het moment dat het verloren gaat? Betekent de afwezigheid van draagvlak dat te weinig mensen zich er betrokken en verbonden bij voelen? Als blijkt dat er veel privaat geld beschikbaar is als puntje bij paaltje komt wat heeft dat voor gevolgen voor ons beleid met publieke middelen? Moeten wij niet naar een eenduidig Europees fiscaal donatiebeleid voor erfgoed en cultuur?

En als ik dan toch vragen aan het stellen ben dringt zich de meest beschouwelijke vraag op; waarom hebben wij eigenlijk een overheidsbeleid op erfgoed en vooral cultuur?
Tot de tweede wereldoorlog was er in de hele geschiedenis geen cultuurbeleid door een overheid aangestuurd. Er waren mecenassen, het hof en de wetenschap die opdrachtgevers en weldoeners waren. De Nazi’s waren de eerste met een stimuleringsprogramma in de vorm van subsidies en andere faciliteiten voor kunst die zij waardevol achtten.

Na de oorlog was er in Nederland een cultuurbeleid gebaseerd op het voornemen om de lagere sociale klassen te verheffen. Dit voornemen is blijven bestaan tot halverwege de jaren tachtig de nieuwe zakelijkheid er voor zorgde dat dit principe werd herzien. Er werd gekozen om wat de overheid verheven kunst vond te stimuleren en al het andere, de grauwe middelmaat, niet. Dit betrof vooral kunst die vaak toch al grote publieke belangstelling ondervond en in veel gevallen voldoende eigen inkomsten had om ook zonder subsidie te functioneren.

Het huidig beleid voorziet middels een basisinfrastructuur in subsidies ook voor amateurkunst en meer kwetsbare kunstvormen, maar de geest van de nieuwe zakelijkheid is nog steeds voelbaar in het neoliberale spook van de marktwerking. Er is weliswaar een stimulerings- en subsidieprogramma dat

toegankelijk is voor iedereen maar omdat de middelen in de BIS beperkt zijn is dit in de praktijk anders; er is alleen maar geld voor een relatief kleine groep.

Wanneer we de balans opmaken en kijken naar wat dit huidig bestuurlijk fundament ons gebracht heeft dan ontstaat het volgende beeld:
In west Europa en met name in Nederland wordt het beroep van kunstenaar en veel andere creatieve beroepen over het algemeen beschouwd als niet gelijkwaardig aan de cognitieve beroepen waar veel geld in verdient wordt. Dit blijkt onder meer uit het SER rapport over de arbeidsmarktpositie van kunstenaars dat een dramatisch beeld geeft, en uit het sentiment dat de opkomende populistische partijen uiten ten aanzien van de kunsten. Zij vinden het een elite-hobby en zeker niet iets waar overheidsgeld aan besteed moet worden.

Vijfentwintig jaar cultuurbeleid gebaseerd op een faciliterende overheid heeft geleid tot een cultuursector die moeite heeft een volwaardige maatschappelijke positie te verwerven of te behouden, een sector die zeer kwetsbaar is voor schommelingen in de economische conjunctuur en een sector waarin veel makers op of onder het bestaansminimum leven.

Het is tijd voor een nieuw uitgangspunt voor het overheids-cultuurbeleid. Een nieuw fundament.
Hiervoor moeten wij de vraag beantwoorden waarom wij een cultuurbeleid willen. Waarom dit een overheidstaak is. Zoals deze vraag makkelijk te beantwoorden is wanneer hij gesteld wordt over beleid op bijvoorbeeld defensie, zorg of wonen.
De komende jaren mag ik voorzitter zijn van onze thema afdeling en ik zie het als mijn belangrijkste taak om ervoor te zorgen dat wij op deze vragen een antwoord kunnen formuleren. Dit zou een waardevolle en prachtige toevoeging zijn aan onze partij.

Ik hoop dat ik over tien jaar aan mijn dochter de dan waarschijnlijk net heropende Notre Dame kan laten zien. Omdat het laat zien dat mensen in staat zijn om behalve elkaar de hersens in te slaan dingen te creëren waardoor zij boven zichzelf uit stijgen. Omdat het laat zien wat we allemaal al hebben meegemaakt en waar we vandaan komen. En nu ik er zo over nadenk, ik ga eerst uitzoeken of ik nog kan doneren…..

Willem de Jonge

Gepubliceerd op 21-08-2019 - Laatst gewijzigd op 18-09-2019